In Exodus 7:1 zegt de Heere tegen Mozes: “Zie, Ik heb u voor de farao tot een god gemaakt en uw broer Aäron zal uw profeet zijn.” Farao had gezegd dat hij de Heere niet kende, en nu staat Mozes als Gods vertegenwoordiger voor hem.
Johan Schep laat zien dat de plagen niet alleen Egypte treffen, maar ook de goden van Egypte. Verderop, in Exodus 12:12, zegt de Heere dat Hij aan al die goden gerichten zal oefenen. De eerste plaag treft de Nijl, die heel Egypte van water voorzag en waarvan de jaarlijkse overstroming werd gezien als een gave van Hapi, de god van de Nijl. Maar het water verandert in bloed, alle vissen sterven en de stank hangt over het hele land.
Ook in dit hoofdstuk zien we de Heere Jezus schitteren. Hij kwam niet om water in bloed te veranderen, maar in wijn, een beeld van vreugde en blijdschap.
Meer informatie over de Bijbelstudiedagen met Ger de Koning vindt u hier.